Verhalen - De Bandit-baby Anjet Daanje
blikken dwaalden afkeurend over zijn versleten jas en zijn vuile handen met daarin de smekend uitgestoken muts. Toen ging de oudste van de twee een licht op. ‘Ach, Martha, moet je kijken!’ zei ze verrast, ‘de Bandit-baby.’
In Martha’s gedachten was Thijs nooit gegroeid. ‘Hoe kom je daar nu bij?’ vroeg ze.
‘Jawel, jawel. Zie je het niet?’ Voor het eerst richtte de oudste dame zich rechtstreeks tot Thijs: ‘Ik herken je mooie, blonde krullen.’ Ze strekte haar hand uit om ze aan te raken, alsof hij nog steeds de schattige baby was. Maar halverwege het gebaar verdrong het beeld van slapen op straat haar moederlijke gevoelens. Snel haalde ze een hand door haar eigen grijze krullen, terwijl haar ogen over het Neude streken.
‘Heeft u een gulden voor me?’ drong Thijs aan.
De vrouw opende haar tas en zocht naar geld. ‘Ik vond het toch zo’n snoezige reclame,’ zei ze.
Alleen om jouw kwajongensstreken en de guitige lach waarmee je naar je moeder opkeek, zijn mijn kinderen ook opgegroeid in Bandit-luiers.’ Ze sloot
haar ogen, en neuriede de aanstekelijke melodie die dertig jaar geleden iedereen kende.
‘Bandit. Houdt zelfs de grootste deugnieten droog,’ vulde Martha aan.
Haar oudere vriendin glimlachte, opende haar ogen, pakte Thijs’ hand en drukte er een briefje van tien in. ‘Jongen,’ zei ze vertederd, ‘waarom moet jij in
’s hemelsnaam bedelen? Met jouw uitstraling kom je toch overal aan de kost.’
‘Dank u,’ zei Thijs. Hij grijnsde. Want ver zat ze er niet naast. Het had zijn leven vergald totdat het zijn enige bezit was geworden, en nu buitte hij het uit. Zijn leuke smoeltje, zijn gevoelige billetjes. Het verschil met vroeger was alleen dat de opbrengst niet langer naar zijn ambitieuze moeder ging maar naar de slijterij.
© Anjet Daanje, 1999 
III-19 III-20