Verhalen & poëzie - Dromen van mijn moeder Anjet Daanje
verhuisde. Ze protesteerde altijd, maar niet zo hevig als tegen het verbod op autorijden, en bij ieder aspect van haar oude leven dat haar werd afgenomen een beetje zwakker, alsof ze, voordat de keuringsarts haar de vrijheid ontzegde om te gaan waar ze wilde, zichzelf tegen beter weten in als de jonge vrouw was blijven zien die ze ooit was, en had geloofd dat oud en gebrekkig worden iets voor andere mensen was, niet voor haar, en de auto, haar auto, ook al stond hij dan werkeloos in de garage geparkeerd, was het symbool van haar eeuwige leven.’
In het werk van Daanje heeft de bruuske werkelijkheid vaak meer dan één kant, ook weer in dit fraaie Juweeltje.
Fragment (blz 7 t/m 10)

Ik droomde dat de deurbel ging, hard en onverwacht. Van de schrik werd ik wakker en tastte naar de wekker, het was donker in mijn droom, en ook al was ik dan ontwaakt, ik wist dat ik nog steeds sliep. Vijf over drie gaf de wekker in opdringerig rode cijfers aan. Als de deurbel gaat heeft het geen zin om de wekker uit te zetten, zo realiseerde ik me, en dat het geluid afkomstig was van de deurbel, niet van de wekker, daarvan was ik overtuigd, want ik had de wekker op klokslag zeven uur gezet, niet op het willekeurige tijdstip van vijf over drie.
Ik stond op uit bed, botste tegen een stoel die daar niet behoorde te staan, en op zoek naar de deur, die niet op de plek was waar hij zich gisteravond nog bevond, drong tot me door dat ik niet in de kamer kon zijn waarin ik enkele uren geleden was gaan slapen. Angstig voelde ik om me heen, niets herkende ik. Er was een tafel, een soort bureautje,
III-53 III-54